Wanneer een gelijkspanning van 5V op de INPUT wordt aangesloten zal TRIAC 1 in geleiding komen en zal door de belasting stroom vloeien.
Elektronische componenten
TRIAC
2       TRIAC

Een triac is een elektronische component die tot de categorie van de halfgeleiderschakelaars behoort.
Een triac kan opgebouwd worden gedacht als twee antiparallel geschakelde thyristoren en daarmee als een speciale
variant van de thyristor worden gezien. In werkelijkheid is de triac echter opgebouwd uit één halfgeleiderkristal met
vier PN overgangen.

Een triac heeft drie aansluitingen: elektrode 1, elektrode 2 en gate. Er kan niet van anode en kathode gesproken worden, omdat de polariteit bij deze component niet vast ligt, zoals bij de thyristor. Toch hanteren sommige fabrikanten de aanduiding A1 en A2.
In het datasheets spreekt men van A1 en A2, main terminal MT1 en MT2  of T1 en T2. De gate blijft eenduidig de gate.
2.2      Symbool van een TRIAC
2.3       Uitzicht van een TRIAC
2.4       Werking van een TRIAC

(equivalente voorstelling van een TRIAC door gebruik te maken van twee thyristoren.)
De werking van de triac lijkt sterk op de werking van de thyristor. Deze component wordt in geleiding gestuurd door een stroompuls via de gate van de triac de sturen. Dit noemt de ontsteekpuls. Uit de grafiek kan worden afgeleid dat de triac zonder puls ook in geleiding kan worden gestuurd, namelijk door de spanning over de component hoger te maken dan Ubo. Dit is echter niet de juiste, gecontroleerde methode om de triac in geleiding te brengen; het verhoogt het risico op beschadiging.

Om geleiding te bewerkstelligen is een ontsteekpuls op de gate en een voldoende hoge spanning over de anoden aansluitingen van de triac nodig. Tijdens geleiding is de spanning over de component 0,6 tot 1,0 volt. Afhankelijk van het type en de koeling kan de triac stromen verwerken tussen 100 mA en ongeveer 50 ampères bij spanningen tot maximum 1KV.
De meeste TRIAC toepassingen zijn beperkt tot klassieke waarden voor laagspanningsinstallaties.

In tegenstelling met de thyristor die alleen tijdens de positieve periode kan schakelen, kan de triac zowel tijdens de positieve als de negatieve periode geleiden. Voor volledige geleiding dient de triac te worden ontstoken tijdens de positieve en de negatieve periode; daarbij speelt de polariteit van de ontsteekpuls geen rol.

Bij het ontsteken wordt in de regel gebruik gemaakt van een puls of een reeks van pulsen in plaats van een constante spanning, net als bij de thyristor. Dit beperkt de vermogendissipatie in de component.

De triac kan uit geleiding worden gebracht (gaan sperren) als de hoofdstroom door de component onder een bepaalde waarde daalt. Deze minimale stroom die dient te vloeien om geleiding in stand te houden wordt de houdstroom genoemd. Bij een wisselspanning zal de triac bij elke polariteitswisseling rond de nul doorgang om deze reden uit geleiding worden gebracht.

In een schakeling die door één triac en zijn stuurcircuit wordt gestuurd en gevoed met een AC-spanning, is 100 % geleiding niet mogelijk. Vlak voor de nul doorgang daalt de stroom tot onder de houdstroom en zal de geleiding wegvallen.
2.5       Grafiek van de werking van een TRIAC

De rode lijn stelt de AC spanning over en de AC stroom door de TRIAC voor terwijl deze niet getriggerd wordt.
De volledige spanning blijft over A1 en A2 staan en er vloeit geen stroom door de TRIAC.

De blauwe lijn stelt de AC spanning over en de AC stroom door de TRIAC voor terwijl getriggerd wordt.
De groene spikes stellen de gatepulsen voor die zorgen voor de ontsteking van de TRIAC.
Er moet een houdstroom kunnen vloeien vandaar dat de ontsteking na de nuldoorgang moet komen.
De tijd van de triggerpuls bepaald wanneer de TRIAC ontstoken wordt en kan van 0 tot 180° bedragen (zolang er voldoende houdstroom is)
Na de ontsteking valt de spanning over de TRIAC snel terug tot een zeer lage waarde (ong. 1V) en wordt de stroom nog enkel bepaald door de weerstand van de belasting die in serie is opgenomen.
Het is aangeraden om voor de gate pulsen de in de grafiek opgegeven polariteiten te gebruiken:
wanneer de wisselspanning in de positieve alternatie evolueert moet de gatepuls positief zijn t.o.v. A2.
wanneer de wisselspanning in de negatieve alternatie evolueert moet de gatepuls negatief zijn t.o.v. A2.
Andere ontekingsmodi zijn eventueel mogelijk ten koste van slechtere prestaties van de TRIAC.
2.6       Toepassingen van een TRIAC


De triac wordt veel gebruikt in de snelheidsregeling van wisselstroom-universeel motoren en spleetpool motoren.

Voorbeelden zijn :

toerentalregeling van boormachines (geen snoerloze boormachines)

zuigkracht regeling bij stofzuigers

zuigkrachtregeling van een dampkap

snelheidsregeling van huishoud mixer

goedkope solid state relais in gebruikerselektronica

licht dimmers (voor gloeilampen)
2.7       Voorbeeldschema van een solid state relais

(dit schema is enkel voor de theoretische studie van het toepassen van een TRIAC in soortgelijke schakelingen)
Menu